Toen ik begon met tekenen dacht ik er niet echt over na. Het was gewoon iets wat ik deed. Schetsen, proberen, opnieuw proberen. Pas later begon ik te merken dat tekenen eigenlijk iets vreemds heeft: je kunt alles maken wat je bedenkt.
Er is geen handleiding die bepaalt wat wel of niet mag.
Dat klinkt simpel, maar dat is het niet.
Want de enige echte grens die je hebt, is je eigen fantasie. En dat is meteen ook de lastigste grens om overheen te gaan.
In het begin teken je vaak wat je al kent. Dieren, mensen, dingen uit je omgeving. Dat is logisch. Dat is veilig. Maar op een gegeven moment begin je te merken dat je ook dingen kunt combineren die niet bestaan.
Een piranha plant uit Mario die een zwaardvis gebruikt als zwaard en ondertussen een goudvis in een zakje met zich meedraagt of een techneut met een grote dino-Bot.
Dat zijn geen dingen die je in het echt tegenkomt. Maar in je hoofd kunnen ze ineens heel logisch voelen.
En dat is precies het moment waarop tekenen iets anders wordt dan alleen iets op papier zetten.
Het wordt een soort superkracht.
Niet omdat je alles kunt beheersen, maar omdat je dingen kunt laten ontstaan die er nog niet waren.
Wat ik daar interessant aan vind, is dat de beperking niet technisch is. Het is niet de pen, of het papier, of je vaardigheid. Het is bijna altijd je eigen hoofd.
Je zegt jezelf sneller dat iets niet kan, dan dat je het daadwerkelijk probeert.
Maar juist als je dat loslaat, gebeurt er iets anders. Dan ga je combinaties maken die je niet zou bedenken als je alleen logisch nadenkt. En vaak zijn dat precies de beelden die blijven hangen.
Tegelijk merk ik dat jezelf grenzen geven ook helpt in dat proces. Grenzen zijn niet alleen iets dat je tegenhoudt, ze kunnen ook richting geven.
Ik heb bijvoorbeeld eerder meegedaan aan Inktober challenges. Niet zozeer als oefening, maar omdat zo’n prompt je dwingt binnen een klein kader te denken. Het geeft richting. Je fantasie hoeft niet eindeloos te zoeken, maar kan ergens op reageren.
En juist dat kan verrassend veel vrijheid geven.
Wat ik daarnaast steeds belangrijker ben gaan vinden, is dat je eigenlijk nooit klaar bent met leren. En dat wil ik ook niet. Je wordt vaak goed in één medium, maar zodra je iets anders probeert, merk je dat je weer opnieuw moet uitzoeken hoe iets echt werkt.
Ik vind dat juist fijn.
Daarom werk ik nog steeds graag met inkt, potlood, en kleurtechnieken zoals Copic markers, acryl markers en watercolor. Dat blijft voor mij vooral iets persoonlijks, iets waar ik in kan experimenteren zonder druk.
Inkt- en potloodtekeningen gebruik ik vaak als basis voor mijn digitale werk. Digitaal is daarna vooral praktisch: makkelijker corrigeren, sneller aanpassen en dingen uitproberen zonder opnieuw te hoeven beginnen.
Analoog werken heeft iets anders. Het is trager en directer, en juist daardoor vaak bevredigender.
Voor mij zitten die twee werelden niet tegenover elkaar, maar versterken ze elkaar juist.
Voor mij zit tekenen daarom niet alleen in ideeën bedenken, maar ook in durven laten staan wat er ontstaat. Niet alles hoeft strak of gecontroleerd te zijn om te werken.
En hoe vaker je dat doet, hoe meer het vanzelfsprekend wordt. Fantasie is dan niet iets bijzonders meer, maar gewoon je startpunt.
Misschien is dat wel de echte superkracht: niet dat je alles onder controle hebt, maar dat je jezelf toestaat om dingen te laten ontstaan die nog niet bestaan.