Naast artbooks gebruik ik ook tekenboeken. Niet om echt “door te lezen”, maar meer als boeken waar ik stukken uit haal om mee te oefenen.
Boeken zoals Drawing the Head and Hands van Andrew Loomis, How to Draw: Drawing and Sketching Objects and Environments en How to Render van Scott Robertson en Thomas Bertling gebruik ik vooral voor constructie en perspectief. Daarnaast heb ik ook meer cartoonboeken zoals Action! Cartooning van Ben Caldwell, Cartoon Animation van Preston Blair en The MAD Art of Caricature.
Wat ik daar interessant aan vind is dat elk boek iets anders traint.
Loomis gaat veel over opbouw: hoe je een hoofd simpel begint en daarna pas uitwerkt.
Scott Robertson is juist technisch en gaat over vorm en perspectief in de ruimte. Dat helpt vooral bij het “denken in 3D” tijdens het tekenen.
De cartoon- en animatieboeken gaan weer een andere kant op. Meer expressie, overdreven vormen en hoe je karakter sterker maakt door juist dingen te versimpelen of uit te vergroten.
Wat ik vaak doe is die dingen door elkaar gebruiken. Structuur uit het ene boek, expressie uit het andere. Dat komt uiteindelijk samen in mijn eigen werk.
Soms pak ik ook gewoon een oefening uit zo’n boek om te proberen te begrijpen hoe iets is opgebouwd. Niet om te kopiëren, maar om het “denken achter de tekening” te snappen.
Wat ik merk is dat deze boeken je minder leren wat je moet tekenen, en meer hoe je moet kijken naar wat je tekent.
En dat blijft daarna altijd hangen, ook als je gewoon vrij aan het schetsen bent.